Op de kaart van 1400 kleurt de wendische groep geel/groen langs de zuidelijke Oostzeekust: Lübeck, Kiel, Wismar, Rostock, Stralsund, Greifswald, Hamburg, Lüneburg, Stade en Buxtehude. Het is de smalste maar machtigste band op de kaart - het eerste kwartier van de Hanze, het enige waarvan de kwartierstad tevens hoofd van de gehele bond was.
Lübeck voerde het directorium van de bond: het bewaarde het bondsarchief en de bondskas, vertegenwoordigde de bond bij buitenlandse machten, en schreef - met instemming van de vijf kernsteden Kiel, Wismar, Rostock, Stralsund en Greifswald - de driejaarlijkse Hanzedag uit. De wendische steden waren verdeeld in twee klassen: de eigenlijke wendische steden en de overwendische steden, waaronder Hamburg en Lüneburg. Vanaf 1364 controleerden de wendische steden bovendien de Sont - de strategische zeestraat tussen Denemarken en Zweden die toegang gaf tot de gehele Oostzee.
Lübeck is een pareltje op de Wendischetour: het UNESCO-werelderfgoed Holstentor, de vijf gotische torens van de binnenstad en het middeleeuwse stadhuis aan de Markt - waar eeuwenlang de Hanzedag vergaderde - vormen samen het meest herkenbare Hanzesilhouet van Europa. De Marienkirche tegenover het stadhuis is het bewijs van een stad op het hoogtepunt van haar macht.
Hamburg behoorde als overwendische stad tot het eerste kwartier. Via het verdrag van 1241 was Hamburg al vroeg partner van Lübeck en groeide het uit tot de grootste zeehaven van Noord-Europa. Lüneburg was onmisbaar om een andere reden: zijn zout. De Lüneburger zoutpannen leverden het conserveringsmiddel waarmee de haringen van Schonen werden ingezouten - zonder Lüneburger zout, geen Hanzehandel in vis. Wismar en Rostock zijn als oprichters van de Wendische Städtebund van 1259 de vroegste kernleden van het eerste kwartier. Stralsund sluit de route als meest oostelijke wendische stad en tweede UNESCO-erfgoed van deze route.