De Knudsgilden zijn het vergeten hoofdstuk in de Hanzegeschiedenis. Terwijl de Duits-Lübeckse kooplieden hun netwerk opbouwden, hadden Scandinavische kooplieden al een eigen systeem: een verbond van handelaren gewijd aan de heilige Knud Lavard, hertog van Schleswig, die in 1169 werd heiligverklaard. In hun bloeitijd telden de Knudsgilden vijftig lokale afdelingen, van Schleswig tot Visby.
Een gilde was niet aan één stad gebonden. Gildenbroeders konden in elke aangesloten havenstad rekenen op rechtsbescherming en onderdak - een systeem dat verbluffend veel lijkt op de latere Hanzelogica. Ze waren tegelijk bondgenoot én concurrent van de Hanze: in Visby deelden ze de kades met Lübeckse kooplieden, maar ook de geschillen.
Schleswig is het beginpunt - hier werd de eerste Knudsgilde gesticht. De historische binnenstad met de Dom van St. Petrus en de middeleeuwse Holmwijk weerspiegelt de handelsstad die dit ooit was. In Flensburg bewaart de gilde haar vroegst overgeleverde statuten - opgesteld rond 1200 in oud-Deens. In Lund en Malmö aan de Zweedse kant van de Sont waren Knudsgilde-afdelingen actief in een regio die destijds volledig Deens was. Visby op Gotland is het slotstuk: hier woonden Knudsgildenbroeders zij aan zij met Lübeckse Hanzekooplieden, en beide groepen bouwden er hun eigen kerken.